Ik heb Twilight gezien

7 februari 2014

It was all a dream Rotterdam

Na mijn lofzang op Rotterdam gisteren was het wel heel toevallig dat ik er vandaag naartoe moest. Voor een bespreking over de nieuwe app van Kinderen voor Kinderen, niet romantisch – wel interessant. Ik kwam bovenstaande muur tegen, goeie tekst.

Na de boodschappen (ik heb nu ook een nieuwe bonuskaart! En zou het Straatkrantvrouwtje mij aardig vinden omdat ik altijd vriendelijk groet maar nooit iets geef, of juist dubbel zo vervelend?) liep ik naar de buurvrouw om een pakketje op te halen. Ze is slecht ter been dus het duurt even voor ze open doet, maar dan laat ze je ook het liefst nooit meer gaan. Ik heb, na enige ergernis, besloten dat het niet uitmaakt. Ik vertel wel nóg een keer dat ik alleen woon, ja zonder huisgenoot nu, nee dat is geen huisgenoot, die is er gewoon vaak, geen meisje nee, ik ken weinig meisjes, of ze komen nooit langs, ja de vriendin van m’n vorige huisgenoot had een stevig hoestje. En dan schakelen we makkelijk over naar al haar medische ongemakken en dat is prima. Ik blijf in de deuropening staan, tussen de koude wind en een huis van 40 graden, en voer een innerlijke strijd tussen gesprek afronden en interesse tonen.

Ik keek hoe de Keuringsdienst van Waarde ontdekte dat al ons brood vol zit met mensenhaar en eendenveren (“omdat de consument het wil”) en probeerde een stukje Vrienden van Amstel Live. Niet te doen – hoewel het me een van de leukste evenementen lijkt om te spelen, moet het wel het meest afschuwelijke zijn om te kijken. Met als dieptepunt die minutenlange shots van mensen die mee staan te lallen zonder de tekst te kennen.

Ik zag dat Twilight nieuw op Netflix was toegevoegd en dacht: why ook eigenlijk not. Nou. Ik kan achteraf wel een paar redenen verzinnen. Het was raar gefilmd door een dronken steadicam-operator. Verder is iedereen de hele tijd heel geil dus dat is wel realistisch.

Maar zelfs Twilight was niet het hoogtepunt van mijn dag. Ik zag in m’n ooghoek de kat triomfantelijk rondhupsen en toen hoorde ik een piepje. Een muis. Daarvoor is ze dan ook aangenomen – muizen vangen, maar in de taakomschrijving staat wel dat ze die van binnen naar buiten brengt en niet andersom. Wat volgde was een scène uit een ongeloofwaardige slapstick: ik achter haar aan, om de muis te redden (ofzo), zij snel onder mijn bed met die muis, buiten mijn bereik. Lampje erbij (oh, daar liggen al die andere enkele sokken!), zij via de andere slaapkamerdeur weer de huiskamer in. Muis ontsnapt intussen en rent naar de keuken. Ik er achter aan, samen met poes, die er nu echt plezier in krijgt. Zij wint en neemt de muis mee onder de bank.

Ok. Nadenken. Hergroeperen. Wat is belangrijker, een muizenleven of dat ik morgen niet weer met m’n blote voet in een afgekloven muizenkontje stap en moet gissen waar ze de rest heeft gelaten? Duidelijk, ze moeten allebei naar buiten, dan vechten ze het daar samen maar uit. Terrasdeur open, alle kamerdeuren dicht en dan mijn geheime wapen: De Föhn. Op een strategisch punt blaas ik op de luidruchtigste stand onder de bank, en jawel: poes rent met muis in d’r bek naar buiten, zo snel als een glimmende vampier bij zonsopkomst. De andere wapens konden in de kast blijven (De Strijkplank, De Haarlak en De Stofzuiger) en ik kon veilig gaan slapen. Morgen niet die sokken vergeten.